advertentie Obesitas

Eindejaarsgedachten

Afgelopen maandag mochten we het eerste lichtje aansteken ter gelegenheid van Chanoeka, het populaire joodse lichtjesfeest. Acht avonden op rij wordt een brandend kaarsje geplaatst in een kandelaar. De viering was een initiatief van Moshé Issaharov en vond plaats aan de Keulsepoort.

Het was een historische gebeurtenis, want Chanoeka zal in Venlo in het openbaar voor het laatst in 1939 gevierd zijn. Tachtig jaar geleden dus, waarvan vijf diepdonkere jaren. Na de Tweede Wereldoorlog ging de kleine, overgebleven joodse gemeenschap van Venlo naar de synagoge van Roermond. Dat besef maakte het ontsteken van ons eerste Chanoeka-lichtje bijzonder.

Over licht gesproken, de dagen lengen alweer en gisteren zijn de kaartjes voor de jaarvergadering van De Waus uitgereikt. Het jaar loopt op zijn einde, een nieuw decennium breekt aan. Het is wennen. Een tijd terug moest ik het jaar 2020 voor het eerst uitspreken. Ik zei tweeduizend-twintig, maar twijfelde glièk. Is het straks niet twintig-twintig? Klinkt het vreemd? Twintig-twintig? Nee hoor. Neem het jaar 1920. Een enkeling zegt negentienhonderd-twintig. Voor de meesten is het aevel negentien-twintig.

Het jaar is omgevlogen. Van de week droomde ik, dat ik in het Julianapark met een kennis stond te praten, die me vroeg: ‘Hoe lang duurde eigenlijk de oerknal?’ Ik moest het antwoord schuldig blijven. Een mens droomt wat af. Op internet gaf Christoffel Waelkens, een Belgische sterrenkundige, uitsluitsel. De oerknal duurde heel kort, minder dan een seconde. Als je de oerknal ziet als het begin, dan duurde hij zelfs helemaal niet. Toen we klein waren leek een jaar een eeuwigheid te duren. Allewiels vliegt de tijd, een jaar is voorbij in de tièd van ein sneej mik.

Met Kerstmis heb ik ook een soort versnelling van de tijd vastgesteld. Met kloeke. Een fles wijn is tegenwoordig eerder leeg dan vroeger en de tweede fles weer eerder dan de eerste. Zal in de verre, verre toekomst een jaar minder dan een seconde van vroeger duren? En eindigen we dan in een nieuwe oerknal? Vragen, vragen. Mijn moeder zei aevel altijd: ’t Kump wie ’t kump. En wat zeker komt, is de vastelaovend. En daarvoor zijn prinsen nodig. Maar voordat we die gaan raoje, wens ik u allemaal unne gooje roetsj in ’t nieje jaor.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx